Wond door honden- of kattenbeet

Door een beet van hond of kat komen micro-organismen van het dierlijke gebit in de wond. Honden veroorzaken door de wijze van bijten en de anatomie van het gebit vooral scheurwonden en ‘crush’letsel; katten veroorzaken diep penetrerende wondjes. Wat is het beleid bij dergelijke wonden?

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan

Kernpunten

  • Basisvoorwaarde voor genezing van een bijtwond is een adequate wondbehandeling.
  • Een kattenbeet heeft een groter infectierisico dan een hondenbeet.
  • Profylaxe met antibiotica wordt aangeraden bij elke beet in gelaat, hand, been of voet.
  • Amoxicilline/clavulaanzuur is het antibioticum van eerste keus, ter preventie en ter behandeling van infecties

Waarmee komt de patiënt?

Patiënten weten vaak dat een bijtwond ‘vies’ is en vragen zich af of een tetanusinjectie noodzakelijk is om infectie te voorkomen. Bij een scheur- of lapwond wordt ook vaak de vraag gesteld of hechting noodzakelijk is. Bij oppervlakkige wondjes vraagt de patiënt soms slechts telefonisch advies.

Anamnese

De huisarts vraagt:

  • of het dier ziek was toen het beet;
  • of het gedrag, zich uitend in het bijten, voorspelbaar was;
  • of de patiënt een risicopatiënt is (leeftijd < 5 jaar of verminderde afweer);
  • of de patiënt een hartklepgebrek heeft.

Onderzoek

Het is van groot belang de mate van weefselbeschadiging in te schatten. De diepte van een kattenbeet is moeilijk te bepalen. De sensibiliteit en motoriek moeten getest worden, omdat letsel van zenuw, pees, bot en gewricht mogelijk is. Als de patiënt pas na een tot enkele dagen bij de arts komt, moet deze letten op tekenen van cellulitis en tenosynovitis rondom de wond en op koorts. Bij de kattenkrabziekte zijn pijnlijke regionale lymfomen aanwezig.

Beleid

Wondtoilet is van groot belang. Door gedegen uitspoelen en – waar nodig – debridement wordt de kans op infectie met een factor 20 gereduceerd. Toepassen van lokale anesthesie kan behulpzaam zijn bij het adequaat reinigen. In het algemeen wordt gesteld dat hechtingen ‘de kat in de kelder metselen’ en de kans op infectie bevorderen, hoewel onderzoeken dit niet onderschrijven. Primaire sluiting van hondenbeten lijkt het risico op infectie, mits de patiënt niet in de hand gebeten is, niet te vergroten.

Antibiotica. Mede met het oog op de resistentie is het algemene advies om bij een hondenbeet geen antimicrobiele profylaxe toe te passen. Uitzonderingen zijn diepe wonden die moeilijk zijn te reinigen, bijtwonden in het gelaat, in de hand, pols, been of voet. Ook is antimicrobiële profylaxe aangewezen bij verminderde weerstand of een hartklepgebrek. Een kattenbeet heeft een veel groter infectierisico (25-50%) dan een hondenbeet (3-15%). Hierbij is het preventief toedienen van antibiotica wel zinvol. Preventief wordt bij kinderen amoxicilline/clavulaanzuur gedurende 5 dagen aangeraden. Tweede keus bij kinderen ≥ 13 jaar is 5 dagen clindamycine en bij kinderen ≥ 13 jaar 5 dagen doxycycline. Bij verhoogde kans op infectie dient de patiënt 1-3 dagen na de bijtwond gecontroleerd te worden. Indien er toch een bijtwondinfectie optreedt, wordt deze behandeld met amoxicilline/clavulaanzuur gedurende 7 dagen; tweede keus is clindamycine (≥ 13 jaar) of doxycycline (≥ 13 jaar), beide eveneens gedurende 7 dagen. Zo nodig wordt wondvocht afgenomen voor kweek.

Rabiës en tetanus
Bij vermoeden van rabiës (zeer zeldzaam in Nederland) dient contact te worden opgenomen met de GGD of het RIVM voor eventuele postexpositievaccinatie. Bij een beet door een vleermuis is postexpositievaccinatie altijd (binnen 48 uur) geïndiceerd. Ten slotte moet de patiënt tegen tetanus beschermd zijn.

Uit: Kleine Kwalen Online
Beeld: Kleine Kwalen Online