
Psychedelica krijgen de laatste jaren opnieuw aandacht binnen de psychiatrie. Met name psilocybine, een stof afkomstig uit bepaalde paddenstoelen, wordt onderzocht vanwege mogelijke toepassingen bij depressie en angststoornissen. Een belangrijk struikelblok voor klinische inzet is echter het optreden van hallucinaties. Recent onderzoek van Dartmouth College werpt nieuw licht op de biologische werking van psilocybine en suggereert dat een niet-hallucinogene receptor hierbij een rol speelt.
Wat is psilocybine en hoe werkt het?
Na inname wordt psilocybine in het lichaam omgezet in psilocine. Deze werkzame stof beïnvloedt de communicatie tussen neuronen via het serotoninesysteem. Serotonine is betrokken bij onder andere stemming, slaap en eetlust. Eerdere studies richtten zich vooral op de serotonine 2A-receptor, die bekendstaat als veroorzaker van de hallucinogene effecten van psychedelica.
Voor veel patiënten en zorgverleners vormen juist deze effecten een bezwaar, omdat ze onvoorspelbare reacties kunnen uitlokken en niet voor iedereen geschikt zijn.
Nieuw onderzoek naar andere serotoninereceptoren
Opzet van het dieronderzoek
Onderzoekers Katherine M. Nautiyal en Sixtine Fleury onderzochten in een muismodel welke andere serotoninereceptoren betrokken zijn bij de stemmingsveranderingen die na psilocybine optreden. Hun bevindingen zijn gepubliceerd in Molecular Psychiatry.
De muizen kregen psilocybine toegediend, waarna hun gedrag werd geobserveerd, zowel kort na toediening als enkele dagen later. De focus lag op gedragingen die samenhangen met depressie en angst.
De rol van de serotonine 1B-receptor
Een belangrijk onderdeel van het experiment was het blokkeren van de serotonine 1B-receptor. Dit gebeurde zowel met medicijnen als met genetische technieken. Wanneer deze receptor was uitgeschakeld, bleek het antidepressie- en angstreducerende gedrag na psilocybine minder duidelijk aanwezig.
Dit wijst erop dat de serotonine 1B-receptor een relevante bijdrage levert aan de gunstige effecten van psilocybine, zonder betrokken te zijn bij hallucinaties.
Betekenis voor toekomstig klinisch gebruik
De resultaten suggereren dat psilocybine niet uitsluitend via de bekende hallucinogene receptor werkt. Andere receptoren, zoals de serotonine 1B-receptor, lijken mede verantwoordelijk voor veranderingen in stemming en gedrag.
Voor de klinische praktijk opent dit de deur naar verdere ontwikkeling van stoffen die vergelijkbare werking hebben, maar zonder de psychotrope bijwerkingen. Dat kan de toepasbaarheid binnen reguliere zorg, waaronder de huisartsenpraktijk, vergroten.
Vervolgonderzoek
De onderzoekers geven aan hun werk voort te zetten. Ze willen beter in kaart brengen waar in de hersenen de serotonine 1B-receptor actief is en hoe dit samenhangt met verschillende gedragsveranderingen, zoals denkflexibiliteit en risicogedrag. Ook wordt gekeken naar verschillen tussen individuen in respons op psilocybine.




