Maagcarcinoom | Diagnostisch proces

Over het algemeen wordt met maagkanker een adenocarcinoom van de maag bedoeld, omdat dit 90–95 % van de gevallen betreft. Anatomisch kunnen adenocarcinomen van de maag worden geclassificeerd als cardia- en non-cardiamaagcarcinomen. De laatste groep omvat tumoren uitgaande van fundus, corpus en antrum. Wereldwijd neemt de incidentie van non-cardiamaagcarcinomen af, terwijl die van het cardiacarcinoom juist stijgt.    

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan

Diagnostisch proces

Endoscopie

Wordt een maagtumor vermoed, dan is gastroscopie het eerst aangewezen onderzoek. Endoscopisch kan het beeld van een exofytische tumor, ulcus en/of verdikte maagplooien gezien worden. Bij een ulcus is aangetoond dat als tien of meer biopten worden genomen, de diagnostische accuratesse tot bijna 100 % stijgt. Elk ulcus, ook indien een biopt in eerste instantie geen maligniteit aantoont, moet na zes weken opnieuw endoscopisch en aan de hand van een biopt worden gecontroleerd.

Hoewel de diagnose carcinoom veelal geen problemen zal opleveren, geldt dit zeker niet altijd voor linitis plastica . Dit diffuse type maagcarcinoom heeft als bijzonderheid dat de uitbreiding in eerste instantie veelal onder het mucosaoppervlak plaatsvindt en met endoscopisch onderzoek niet wordt opgespoord of herkend. Hypertrofische maagplooien en een verminderde distensie bij luchtinsufflatie zijn endoscopische kenmerken van een linitis plastica. Het radiologisch beeld van een starre maag is eveneens typerend, maar speelt in de dagelijkse praktijk vrijwel geen rol meer.

CT-scan

Ook histologisch kan de diagnose lastig te stellen zijn door een uitgebreide stromale reactie die het relatieve aandeel van de tumorcellen doet afnemen. Na het stellen van de diagnose is aanvullend onderzoek gericht op de beoordeling van de lokale resectabiliteit en van het uitsluiten dan wel aantonen van metastasen. Dit gebeurt met een CT-scan van borst-/buikholte en bekken, en kan worden aangevuld met uitwendige echografie van de hals bij proximale tumoren. Endosonografie heeft vooral meerwaarde bij vroege tumoren om het T-stadium te bepalen, om eventuele uitbreiding in de oesofagus en het duodenum vast te stellen en om lymfeklieren of ascites via een punctie te verkrijgen (fine needle aspiration, FNA). Dit laatste wordt gedaan als de aanwezigheid van tumoruitbreiding op deze lokalisaties leidt tot verandering van het therapeutisch beleid.

PET-scan

Een PET-scan kan metastasen op afstand groter dan 0,5–1 cm aantonen, en heeft vooral meerwaarde bij patiënten met hoogrisico-tumoren die in aanmerking komen voor curatieve chirurgie. De sensitiviteit van een PET-scan is voor diffuse maagcarcinomen relatief laag. De resectabiliteit wordt uiteindelijk tijdens laparotomie beoordeeld. In meer dan 25% van de gevallen wordt ondanks een overigens normale CT-scan een peritonitis carcinomatosa aangetoond. Vooral bij patiënten met een linitis plastica en bij T3- en T4-tumoren is het daarom raadzaam voor het starten van neoadjuvante behandeling een diagnostische laparoscopie te verrichten. Laparotomie (laparoscopie) speelt een rol bij het aantonen van peritoneale metastasen; curatie is dan onmogelijk.

Kernpunt
  • Het diffuus type maagcarcinoom kan moeilijk te herkennen zijn tijdens endoscopie, het histologisch, radiologisch en nucleair geneeskundig onderzoek. Dit wordt veroorzaakt door een diffuse infiltratie van tumorcellen in de submucosa met uitgebreide stromale reactie.

Uit: Leerboek oncologie, hoofdstuk 19, Maagcarcinoom
Beeld: © freshidea / Fotolia