
Patiënten die een katheterablatie voor atriumfibrilleren (AF) hebben ondergaan, blijven vaak langdurig orale anticoagulantia gebruiken. Dat leidt in de huisartsenpraktijk regelmatig tot vragen over nut, veiligheid en alternatieven, vooral wanneer er al langere tijd geen AF-recidief is vastgesteld. Recent internationaal onderzoek geeft nieuwe inzichten die vooral op basis van de uitkomsten relevant zijn voor de eerstelijnszorg.
De kern van het onderzoek in het kort
Bij patiënten die minimaal één jaar na een geslaagde AF-ablatie geen terugkeer van het ritmeprobleem hadden, werd gekeken of voortzetting van orale antistolling nog voordeel oplevert. Daarbij zijn twee behandelopties vergeleken: rivaroxaban versus laaggedoseerd aspirine.
De onderzochte groep bestond voornamelijk uit patiënten met een laag tot matig trombo-embolisch risico op basis van de CHA₂DS₂-VASc-score. Hoogrisicopatiënten en zeer ouderen waren niet vertegenwoordigd.
Wat laten de resultaten zien?
Geen verschil in beroerte of stille herseninfarcten
Na een follow-up van drie jaar bleek er geen duidelijk verschil tussen rivaroxaban en aspirine wat betreft:
- klinische beroerte;
- systemische embolie;
- stille cerebrale infarcten vastgesteld met MRI.
Deze gebeurtenissen kwamen in beide groepen weinig voor. Dat suggereert dat bij zorgvuldig geselecteerde patiënten het resterende risico na succesvolle ablatie laag is.
Bloedingsrisico verschilt wel
Het gebruik van rivaroxaban ging gepaard met:
- geen aantoonbaar hogere kans op ernstige of fatale bloedingen;
- wél een duidelijk hogere kans op klinisch relevante, niet-ernstige bloedingen.
Voor patiënten die dagelijks functioneren met antistolling kan dit type bloeding wel degelijk invloed hebben op kwaliteit van leven en therapietrouw.





