Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Antistolling bij boezemfibrilleren

fediverbeek
Antistolling bij boezemfibrilleren vermindert het risico op een beroerte. Overzicht van indicatiestelling, keuze van middelen en aandachtspunten voor de huisarts.
Unsplash

Boezemfibrilleren (atriumfibrilleren) gaat gepaard met een verhoogd risico op trombo-embolische complicaties, met name een ischemisch cerebrovasculair accident. Dit risico ontstaat door stolselvorming in het linker atrium, vaak in het hartoor.

Antistolling vormt daarom een belangrijk onderdeel van de behandeling. Voor huisartsen is het van belang om het risico op trombo-embolie en bloedingen zorgvuldig af te wegen en een passende therapie te kiezen.

 

Doel van antistolling

Het doel van antistolling bij boezemfibrilleren is het voorkomen van:

  • ischemisch CVA
  • systemische embolieën

Zonder behandeling is het risico op een beroerte verhoogd, vooral bij aanwezigheid van bijkomende risicofactoren.

 

Risicostratificatie

De indicatie voor antistolling wordt bepaald aan de hand van het trombo-embolisch risico. Hiervoor wordt doorgaans de CHA₂DS₂-VASc-score gebruikt.

 

Componenten van de CHA₂DS₂-VASc-score

  • hartfalen
  • hypertensie
  • leeftijd ≥ 75 jaar (2 punten)
  • diabetes mellitus
  • eerder CVA/TIA (2 punten)
  • vasculaire ziekte
  • leeftijd 65–74 jaar
  • vrouwelijk geslacht

Interpretatie

  • score 0 (mannen) of 1 (vrouwen): meestal geen antistolling
  • score ≥ 1 (mannen) of ≥ 2 (vrouwen): overweeg of start antistolling

De beslissing wordt genomen in samenspraak met de patiënt, waarbij ook bloedingsrisico wordt meegewogen.

 

Congres
Het Vrouwenhart
Praktische handvatten voor gezondheid van de vrouw.


Bekijk het congres →

Congres Het Vrouwenhart

 

Keuze van antistolling

Er zijn twee hoofdgroepen van orale anticoagulantia:

 

Directe orale anticoagulantia (DOAC’s)

Voorbeelden zijn:

  • apixaban
  • rivaroxaban
  • dabigatran
  • edoxaban

Kenmerken:

  • vaste dosering
  • geen routinematige INR-controle nodig
  • minder interacties dan vitamine K-antagonisten

DOAC’s hebben in veel gevallen de voorkeur, tenzij er contra-indicaties zijn.

 

Vitamine K-antagonisten (VKA)

Voorbeelden zijn acenocoumarol en fenprocoumon.

Kenmerken:

  • dosering op geleide van INR
  • regelmatige controle via de trombosedienst
  • meer interacties met voeding en medicatie

VKA’s blijven aangewezen bij specifieke indicaties, zoals mechanische hartkleppen.

 

Bloedingsrisico

Naast het trombo-embolisch risico moet ook het bloedingsrisico worden beoordeeld. Factoren die het risico verhogen zijn onder andere:

  • hogere leeftijd
  • nierfunctiestoornissen
  • eerdere bloedingen
  • gelijktijdig gebruik van andere antistolling of NSAID’s
  • alcoholgebruik

Het bloedingsrisico vormt zelden een absolute contra-indicatie, maar vraagt om zorgvuldige afweging en follow-up.

 

Praktische aandachtspunten

Nierfunctie

Bij gebruik van DOAC’s is regelmatige controle van de nierfunctie nodig, omdat dit invloed heeft op dosering en veiligheid.

 

Therapietrouw

Omdat DOAC’s een korte halfwaardetijd hebben, is goede therapietrouw van belang. Het overslaan van doses kan het risico op trombo-embolie verhogen.

 

Interacties

Hoewel minder dan bij VKA’s, kunnen ook bij DOAC’s interacties voorkomen, bijvoorbeeld met bepaalde antimycotica of anti-epileptica.

 

Wanneer (tijdelijk) geen antistolling?

Antistolling kan worden uitgesteld of tijdelijk gestaakt bij:

  • actieve bloedingen
  • recente grote operatie
  • hoog bloedingsrisico dat niet te beïnvloeden is

In deze situaties is overleg met de tweede lijn vaak aangewezen.

 

Controle en follow-up

Patiënten met antistolling vragen regelmatige controle:

  • evaluatie van bijwerkingen
  • controle van nierfunctie (bij DOAC’s)
  • INR-controle (bij VKA’s)
  • herbeoordeling van risico’s

Daarnaast is het belangrijk om periodiek de indicatie voor antistolling te heroverwegen.

 

Voorlichting aan de patiënt

Goede uitleg is belangrijk voor veilig gebruik. Bespreek:

  • het doel van antistolling
  • het belang van therapietrouw
  • signalen van bloedingen (zoals hematurie, melena, neusbloedingen)
  • wanneer contact opgenomen moet worden

Ook is het relevant om patiënten te informeren over medicatiegebruik bij ingrepen of tandheelkundige behandelingen.

 

Wanneer verwijzen?

Overleg of verwijzing naar de cardioloog of internist is aangewezen bij:

  • complexe casuïstiek
  • twijfel over indicatie of middelkeuze
  • recidiverende bloedingen
  • combinatie van meerdere risicofactoren

Praktische conclusie

Antistolling bij boezemfibrilleren is gericht op het verminderen van het risico op beroerte. De indicatie wordt bepaald op basis van risicostratificatie, waarbij de CHA₂DS₂-VASc-score een belangrijke rol speelt.

De keuze tussen DOAC’s en vitamine K-antagonisten hangt af van patiëntkenmerken en comorbiditeit. De huisarts heeft een centrale rol in het starten, begeleiden en controleren van deze behandeling.