Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Functionele defecatiestoornissen bij kinderen in Europa

fediverbeek
Overzicht voor huisartsen van de prevalentie van infant dyschezia, functionele obstipatie en functionele niet-retentieve fecale incontinentie bij Europese kinderen, met aandacht voor Rome-criteria, leeftijdsverdeling, geografische verschillen en praktische consultvoering.
Unsplash

Waarom dit onderwerp in de huisartsenpraktijk terugkomt

Functionele defecatiestoornissen (functional defecation disorders, FDD) behoren tot de meest voorkomende gastro-intestinale klachten in de kindertijd. De klachten variëren van onrust en huilen rond de ontlasting bij jonge zuigelingen tot obstipatie met pijnlijke defecatie, fecale impactie of fecale incontinentie bij oudere kinderen. Dit kan leiden tot herhaald consult, onzekerheid bij ouders en schoolverzuim.

FDD worden gediagnosticeerd op basis van symptoomcriteria (de Rome-criteria). De belangrijkste categorieën zijn:

  • Infant dyschezia (ID) bij zuigelingen
  • Functionele obstipatie (FO / FC) bij kinderen en adolescenten
  • Functionele niet-retentieve fecale incontinentie (FNRFI) bij kinderen die feces verliezen zonder aanwijzingen voor retentie

Een recente systematische review en meta-analyse bracht de prevalentie van deze aandoeningen in Europese populaties in kaart en keek ook naar verschillen naar leeftijd, geslacht en land.

 

Wat zijn functionele defecatiestoornissen volgens de Rome-criteria?

De Rome-criteria zijn bedoeld om functionele aandoeningen te onderscheiden van klachten met een organische oorzaak. De Rome IV-criteria volgden de Rome III-criteria in 2016 op, met relatief beperkte aanpassingen voor deze diagnosegroepen. In de praktijk betekent dit dat veel studies en richtlijnen beide systemen terug laten komen.

 

Infant dyschezia

Bij infant dyschezia gaat het om episodes waarbij een zuigeling duidelijk perst en huilt vóór de passage van zachte ontlasting. De kern is dus niet de harde ontlasting, maar de moeite met coördinatie van persen en relaxatie van de bekkenbodem. Dit beeld neemt vaak af met de leeftijd.

 

Functionele obstipatie

Functionele obstipatie is de meest voorkomende FDD. Het beeld kan bestaan uit minder frequente defecatie, harde ontlasting, pijn bij defecatie, ophoudgedrag en soms overloopklachten. In studies wordt de diagnose meestal gesteld met vragenlijsten of (minder vaak) artsbeoordeling. In de huisartsenpraktijk is een goede anamnese met aandacht voor alarmsymptomen en ontlastingspatroon leidend.

 

Functionele niet-retentieve fecale incontinentie

Bij FNRFI is er fecesverlies zonder aanwijzingen voor retentie of fecale impactie. Dit is in populatiestudies zeldzaam. In de praktijk vraagt het om zorgvuldige differentiaaldiagnose en beoordeling van psychosociale context.

 

Congres
Bekkenbodemproblematiek
Actuele inzichten en praktische handvatten voor de zorgpraktijk.


Bekijk het congres →

Congres Bekkenbodemproblematiek

 

Prevalentie in Europa: kerncijfers uit de meta-analyse

De review includeerde 28 Europese studies (cross-sectioneel en prospectief) gepubliceerd tussen 1999 en juli 2023. Voor de huisarts zijn vooral de gepoolde prevalenties relevant.

 

Prevalentie van infant dyschezia bij zuigelingen

De gepoolde prevalentie van infant dyschezia bij kinderen van 0–12 maanden was 6,9%. In subanalyses werd een daling met leeftijd gezien: hogere prevalenties rond 1 maand en lagere prevalenties op latere leeftijden. Dit past bij het concept dat zuigelingen gaandeweg leren de defecatie beter te coördineren.

 

Klinische duiding voor de huisarts

  • ID is relatief vaak en doorgaans zelflimiterend.
  • Belangrijk is uitleg aan ouders, omdat het huilen al snel als “obstipatie” of “buikpijn” wordt geïnterpreteerd.
  • De review vond geen duidelijke aanwijzing dat ID voorspelt dat later functionele obstipatie ontstaat; meerdere studies rapporteerden juist geen verband met latere obstipatie.

Prevalentie van functionele obstipatie

Voor functionele obstipatie werden twee leeftijdsgroepen onderscheiden.

Kinderen jonger dan 4 jaar

De gepoolde prevalentie van functionele obstipatie bij kinderen <4 jaar was 8,17%. In deze categorie zaten relatief veel studies bij (zeer) jonge kinderen, vaak nog vóór of rond de zindelijkheidsfase.

 

Kinderen en adolescenten van 4–18 jaar

Bij kinderen 4–18 jaar was de gepoolde prevalentie 11,39%. In totaal kwam de gepoolde prevalentie van functionele obstipatie bij alle kinderen samen uit op ongeveer 8,76%.

 

Rome III versus Rome IV

Op groepsniveau werd geen significant verschil gevonden in prevalentie van functionele obstipatie wanneer Rome III of Rome IV criteria gebruikt werden. Praktisch betekent dit dat prevalenties uit studies met beide criteria grofweg vergelijkbaar zijn, al kunnen specifieke aanpassingen in Rome IV (zoals een kortere symptoomduur) in sommige leeftijdsgroepen tot eerdere labelvorming leiden.

Prevalentie van functionele niet-retentieve fecale incontinentie

FNRFI was zeldzaam in Europese populatiestudies. De gepoolde prevalentie bij kinderen 4–18 jaar was 0,24%. De range tussen studies liep uiteen, maar bleef in de meeste populaties laag.

 

Geslachtsverschil

Voor functionele obstipatie werd geen sekse-overwicht gevonden. Voor FNRFI was in een grote multicountry studie een hogere prevalentie bij jongens beschreven, maar dit beeld was niet in alle studies consistent.

 

Verschillen tussen landen: waarom dit in de praktijk relevant kan zijn

De review vond duidelijke verschillen in gerapporteerde prevalentie van functionele obstipatie tussen landen. De hoogste prevalenties werden in meerdere analyses gezien in Italië, Duitsland en Spanje. Tegelijk werd benadrukt dat niet alle Europese landen data leverden, en dat verschillen ook kunnen samenhangen met meetmethode (vragenlijst versus artsdiagnose), respons, culturele factoren en mogelijke rapportagebias.

 

Praktische interpretatie

Voor huisartsen betekent dit niet dat kinderen in sommige landen “echt vaker” obstipatie hebben, maar wel dat:

  • prevalentie sterk kan schommelen afhankelijk van definities en meetinstrumenten;
  • gesprek over ontlasting in sommige contexten minder makkelijk is, wat onderrapportage kan geven;
  • leefstijl- en voedingspatronen mogelijk meespelen, maar dat de review geen stevige causale conclusies kon trekken.

Factoren geassocieerd met FDD: wat is onderzocht en wat blijft onzeker

De review beschreef dat er veel mogelijke factoren in individuele studies zijn bekeken (o.a. psychosociale factoren, leefstijl, voeding, perinatale factoren), maar dat er onvoldoende eenduidige data waren om hiervan een meta-analyse te maken.

Voor infant dyschezia werden in meerdere studies geen verbanden gevonden met geslacht, geboortegewicht, prematuriteit, type voeding en diverse maternale factoren. Voor functionele obstipatie werden in afzonderlijke studies associaties genoemd met onder andere psychosociale belasting en leefstijl (bijv. weinig lichamelijke activiteit of veel schermtijd), maar door het veelal cross-sectionele ontwerp blijft causaliteit onzeker.

 

Consultvoering in de huisartsenpraktijk: aandachtspunten per diagnose

Ook zonder behandelprotocol in dit artikel, zijn er onderdelen die direct aansluiten bij de dagelijkse praktijk.

 

Anamnese: focuspunten

  • Frequentie en consistentie van de ontlasting (ouderschatting, eventueel ontlastingsdagboek)
  • Pijn bij defecatie, ophoudgedrag, angst voor toiletgang
  • Fecesverlies: patroon, moment (overdag/nacht), relatie met obstipatieklachten
  • Alarmtekens (bijvoorbeeld falen te groeien, bloederige ontlasting zonder fissuur, ernstige buikdistensie, braken, neurologische signalen)
  • Zindelijkheidsfase, schoolcontext en stressfactoren

Diagnostiek: wanneer Rome-criteria helpen

Rome-criteria bieden taal om klachten te structureren en om ouders uit te leggen dat het om een functioneel patroon gaat. Tegelijk blijft klinische beoordeling nodig om organische oorzaken en alarmsignalen uit te sluiten.

Doorverwijzing: wanneer laagdrempelig overwegen

Hoewel FDD vaak in de eerste lijn blijft, kan doorverwijzing naar kinderarts of kinder-MDL passend zijn bij:

  • alarmsymptomen of afwijkend LO
  • persisterende klachten ondanks begeleiding in de eerste lijn
  • vermoeden van complexe fecale incontinentie of belangrijke psychosociale problematiek waarbij multidisciplinaire aanpak nodig is

Veelgestelde vragen

1) Hoe vaak komt functionele obstipatie bij kinderen in Europa voor?

In Europese populatiestudies ligt de gepoolde prevalentie rond 8,2% bij kinderen jonger dan 4 jaar en 11,4% bij kinderen van 4–18 jaar. Dit geeft een realistische orde van grootte voor de huisartsenpraktijk, met variatie per leeftijd en land.

2) Maakt het uit of ik Rome III of Rome IV hanteer bij het inschatten van prevalentie?

In de meta-analyse werden geen duidelijke verschillen gevonden in prevalentie van functionele obstipatie tussen Rome III en Rome IV op groepsniveau. Voor de praktijk helpt het vooral om consequent één set criteria te gebruiken voor structuur in anamnese en dossier, met aandacht voor alarmsignalen en de context.

3) Hoe zeldzaam is functionele niet-retentieve fecale incontinentie in populaties?

FNRFI is in populatiestudies zeldzaam: de gepoolde prevalentie bij 4–18 jaar was ongeveer 0,24%. Als fecesverlies zich presenteert, is het daarom zinvol om actief te beoordelen of er toch obstipatie met retentie (en overloop) speelt, en om breed te kijken naar psychosociale factoren en differentiaaldiagnose.