Atriumfibrilleren (AF) is de meest voorkomende hartritmestoornis in de huisartsenpraktijk. De prevalentie neemt toe met de leeftijd en gaat gepaard met een verhoogd risico op trombo-embolische complicaties, met name een ischemisch cerebrovasculair accident.
De rol van de huisarts is gericht op tijdige herkenning, risicostratificatie en het starten of coördineren van passende behandeling.
Wat is atriumfibrilleren?
Atriumfibrilleren is een supraventriculaire ritmestoornis waarbij de atria ongecoördineerd en snel contraheren. Dit leidt tot:
- een onregelmatig en vaak versneld ventrikelritme
- verlies van effectieve atriale contractie
- verhoogde kans op stolselvorming in het atrium
Het hartritme is daarbij typisch “irregulair irregulair”.
Indeling van atriumfibrilleren
Afhankelijk van het beloop wordt onderscheid gemaakt in:
- Paroxismaal AF: episodes die spontaan stoppen binnen 7 dagen
- Persisterend AF: aanhoudend AF dat niet spontaan stopt
- Permanent AF: blijvend AF waarbij geen poging tot ritmeherstel wordt gedaan
Deze indeling is relevant voor het behandelbeleid.
Klinisch beeld
De presentatie van atriumfibrilleren varieert sterk.
Mogelijke klachten
- hartkloppingen
- onregelmatige pols
- kortademigheid
- vermoeidheid
- verminderde inspanningstolerantie
- duizeligheid
Sommige patiënten zijn asymptomatisch en worden bij toeval ontdekt.
Lichamelijk onderzoek
- onregelmatige, vaak versnelde pols
- wisselende harttonen bij auscultatie
- eventueel tekenen van hartfalen
Diagnostiek
ECG
De diagnose atriumfibrilleren wordt bevestigd met een ECG. Kenmerken zijn:
- afwezigheid van duidelijke P-toppen
- onregelmatige RR-intervallen
Aanvullend onderzoek
Afhankelijk van de situatie kan aanvullend onderzoek worden verricht:
- laboratoriumonderzoek (o.a. TSH, nierfunctie)
- echocardiografie (meestal via de tweede lijn)
- langdurige ritmeregistratie bij intermitterende klachten
Risicofactoren
Factoren die samenhangen met het ontstaan van atriumfibrilleren zijn onder andere:
- hogere leeftijd
- hypertensie
- hartfalen
- ischemische hartziekten
- klepafwijkingen
- diabetes mellitus
- obesitas
- alcoholgebruik
Deze factoren spelen ook een rol bij de keuze van behandeling.
Beleid in de huisartsenpraktijk
De behandeling van atriumfibrilleren bestaat uit drie pijlers:
1. Frequentiecontrole
Doel is het reguleren van de ventrikelfrequentie. Middelen die gebruikt kunnen worden zijn:
- bètablokkers
- calciumantagonisten (verapamil of diltiazem)
- digoxine (in specifieke situaties)
2. Ritmecontrole
Ritmecontrole kan worden overwogen bij:
- aanhoudende klachten
- eerste episode bij jongere patiënten
- hemodynamische instabiliteit
Dit gebeurt meestal in de tweede lijn, bijvoorbeeld met medicatie of elektrische cardioversie.
3. Antistolling
Preventie van trombo-embolische complicaties is een belangrijk onderdeel van de behandeling.
De indicatie voor antistolling wordt bepaald aan de hand van het risico op een beroerte, vaak met behulp van een risicoscore zoals CHA₂DS₂-VASc.
Afhankelijk van de score wordt gekozen voor:
- directe orale anticoagulantia (DOAC’s)
- vitamine K-antagonisten
Wanneer verwijzen?
Verwijzing naar de cardioloog is aangewezen bij:
- eerste episode van atriumfibrilleren
- onvoldoende controle van klachten of frequentie
- overweging van ritmecontrole
- twijfel over onderliggende cardiale pathologie
- jonge patiënten of atypische presentatie
Spoedverwijzing is nodig bij:
- hemodynamische instabiliteit
- tekenen van acuut hartfalen
- ernstige klachten
Follow-up en controle
Patiënten met atriumfibrilleren vragen regelmatige controle, gericht op:
- frequentiecontrole
- therapietrouw
- bijwerkingen van medicatie
- evaluatie van risicofactoren
Daarnaast blijft aandacht voor leefstijl belangrijk, zoals gewichtsreductie en beperking van alcoholgebruik.
Voorlichting aan de patiënt
Leg uit dat atriumfibrilleren een chronische aandoening kan zijn met wisselend beloop. Bespreek:
- het belang van medicatietrouw
- signalen waarbij contact nodig is
- risico op beroerte en het nut van antistolling
Praktische conclusie
Atriumfibrilleren is een veelvoorkomende hartritmestoornis met uiteenlopende presentatie. De diagnose wordt gesteld met ECG en de behandeling richt zich op frequentiecontrole, eventueel ritmecontrole en preventie van trombo-embolische complicaties.
De huisarts heeft een centrale rol in herkenning, initiële behandeling en langdurige begeleiding van patiënten met atriumfibrilleren.






