Bij borstkanker in een vroeg stadium is niet altijd duidelijk of chemotherapie na een operatie daadwerkelijk meerwaarde heeft. Voor een deel van de patiënten kan een genprofieltest helpen om het risico op uitzaaiingen beter in te schatten en daarmee overbehandeling te voorkomen. Toch wordt deze vorm van aanvullende diagnostiek in Nederland nog relatief weinig gebruikt.
Uit onderzoek van het Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL) blijkt dat ongeveer één op de drie patiënten die voor een genprofieltest in aanmerking komt, de test daadwerkelijk krijgt. Dat betekent mogelijk dat sommige patiënten chemotherapie ondergaan terwijl dit achteraf niet nodig zou zijn geweest.
Wat is een genprofieltest?
Een genprofieltest onderzoekt de activiteit van bepaalde genen in tumorweefsel. De uitslag geeft aanvullende informatie over het risico dat borstkanker later uitzaait.
Deze informatie kan worden gebruikt bij de keuze om wel of geen adjuvante chemotherapie te geven. Bekende voorbeelden zijn MammaPrint en Oncotype DX.
De test is vooral bedoeld voor patiënten met borstkanker in een vroeg stadium, zonder uitzaaiingen, bij wie de meerwaarde van chemotherapie niet direct duidelijk is.
Minder chemotherapie bij laag risico
De waarde van de test ligt vooral in het voorkomen van onnodige behandeling.
Wanneer de genprofieltest wijst op een laag risico op uitzaaiingen, kan chemotherapie in veel gevallen achterwege blijven. Daarmee kunnen patiënten worden gespaard voor bijwerkingen zoals haaruitval, misselijkheid, vermoeidheid, neuropathie en langdurige impact op kwaliteit van leven.
Bij een hoog risico kan de test juist ondersteunen dat chemotherapie wel zinvol is.
Test wordt volledig vergoed
Een opvallend punt is dat de genprofieltest voor de betreffende patiëntengroep volledig wordt vergoed. Toch blijft het gebruik achter.
Volgens het IKNL komt ongeveer 13 procent van alle patiënten met borstkanker in Nederland in aanmerking voor een genprofieltest. Het gaat daarbij onder meer om patiënten van vijftig jaar en ouder met niet-uitgezaaide borstkanker.
Dat de test ondanks vergoeding nog beperkt wordt ingezet, roept vragen op over bekendheid, behandelvoorkeuren, regionale verschillen en de manier waarop de test wordt besproken in de spreekkamer.
Ontbrekende testinformatie kan behandelkeuze beïnvloeden
Uit de analyse blijkt dat patiënten bij wie de test een laag risico liet zien, in de meeste gevallen geen chemotherapie kregen. Bij patiënten met een hoog risico werd juist vaak wel chemotherapie ingezet.
Bij patiënten die geen genprofieltest kregen, werd chemotherapie vaker gegeven. Dat suggereert dat het ontbreken van aanvullende risicoinformatie kan leiden tot een ruimere inzet van chemotherapie dan mogelijk nodig is.
Tegelijkertijd blijft voorzichtigheid nodig: bij patiënten die niet getest zijn, is achteraf niet bekend wat de uitslag van de genprofieltest zou zijn geweest.
Samen beslissen blijft essentieel
De inzet van een genprofieltest past binnen gedeelde besluitvorming. De uitslag helpt om de balans tussen winst en belasting van chemotherapie beter te bespreken.
Voor de ene patiënt weegt maximale risicoreductie het zwaarst, terwijl een andere patiënt juist sterk hecht aan het vermijden van belastende behandeling wanneer de verwachte winst beperkt is.
Een goede uitleg over de betekenis van de testuitslag is daarom essentieel.
Meer onderzoek naar barrières
Het IKNL onderzoekt samen met de Universiteit Twente waarom de genprofieltest nog niet vaker wordt gebruikt. Mogelijke factoren zijn onbekendheid bij patiënten, verschillen in ziekenhuisbeleid, onzekerheid over interpretatie van de uitslag of terughoudendheid bij behandelaren.
Hoewel het gebruik jaarlijks toeneemt, lijkt er nog ruimte voor verbetering.
Tot slot
Genprofieltesten kunnen bij een geselecteerde groep patiënten met vroege borstkanker helpen om beter te bepalen of chemotherapie nodig is. Daarmee kunnen zij bijdragen aan het voorkomen van overbehandeling en onnodige bijwerkingen.
Voor huisartsen is het belangrijk om te weten dat deze testen bestaan en volledig vergoed worden voor patiënten die ervoor in aanmerking komen. Zo kunnen zij patiënten ondersteunen bij vragen over behandelkeuzes en gedeelde besluitvorming in de oncologische zorg.


