Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Ontwikkeling en rol van de emotie angst in de levensloop

De kennis over de ontwikkeling van de emotie angst in de levensloop is onevenwichtig verdeeld. Die vanaf de geboorte tot de vroege volwassenheid is goed bekend. Van de verdere ontwikkeling tijdens de volwassenheid en de ouderdom weten we vrijwel niets. Wij willen benadrukken dat hetgeen hier wordt beschreven uitgaat van opgroeien en leven in een min of meer veilige omgeving, zowel buiten als binnen het gezin. Wanneer veiligheid ontbreekt, zal normale angst andere vormen aannemen.

Zuigelingenperiode

Bij het horen van een hard geluid of bij fel licht slaan pasgeborenen even hun armpjes uit, als onderdeel van de schrikreflex. Verder is tot de leeftijd van ongeveer 6 maanden niet veel te merken van een vreesreactie. Halverwege het eerste levensjaar komt hier verandering in. Bepaalde reële gevaren, zoals hoogte of de confrontatie met wateroppervlak, roepen een angstreactie op. Zolang kinderen nog niet zelf van hun ouders weg kunnen bewegen, is er kennelijk evolutionair geen meerwaarde voor het laten optreden van een vreesreactie, omdat kinderen zich niet in gevaar kunnen begeven. Zodra dit wel kan, gaat, bij wijze van spreken, een evolutionair overgeleverd verklikkerlichtje branden.
Om diezelfde reden wordt rond de 6 maanden het gehechtheidssysteem geactiveerd. Dit systeem zorgt ervoor dat kinderen bij onlust of gevaar de nabijheid zoeken van iemand die hun bescherming kan bieden. Wanneer kinderen kunnen lopen, hollen zij in een dergelijke situatie naar hun moeder en klampen zich vast; alle kinderen trekken dan de aandacht van de gehechtheidsfiguur door te gillen of te huilen. De angst die optreedt wanneer kinderen de beschermende volwassene niet kunnen zien, wordt separatieangst genoemd. Het is een belangwekkend fenomeen, omdat het niet wordt veroorzaakt door gevaar, maar door het besef dat er geen rugdekking is wanneer zich gevaar zou voordoen. Het is angst als preventie: zorg ervoor dat je in de buurt van een beschermer bent, mócht er iets gevaarlijks gebeuren.

Peuter- en kleutertijd

Grofweg tussen de 2 en 6 jaar is er sprake van een uitbreiding van concrete zaken die als gevaarlijk worden beleefd, zoals bepaalde dieren (honden, spinnen) of beroepsbeoefenaren met gevaarlijke instrumenten (kapper, dokter). Ook het zien van bloed kan angst inboezemen op deze leeftijd. Er is reden om aan te nemen dat bepaalde soorten vrees evolutionair zijn overgedragen en gemakkelijk ontstaan (men spreekt van preparedness of unlearned fears). Tot de aangeboren vormen van vrees behoren tevens die voor het donker en voor benauwdheid, terwijl ook de confrontatie met voor het kind vreemde mensen een bron van angst kan zijn. Naast concreet bedreigende prikkels kunnen in de kleutertijd gedachten en fantasieën een bron van angst worden.

Schoolleeftijd

Rond de leeftijd van 6 of 7 jaar maken kinderen een spurt in hun cognitieve ontwikkeling: zij kunnen beter logisch denken en met meer aspecten tegelijk rekening houden. Ook zijn ze beter in staat in gedachten te anticiperen op mogelijke gebeurtenissen. Deze cognitieve sprong vooruit heeft twee kanten. Enerzijds kunnen kinderen van de schoolleeftijd hun schouders ophalen bij kinderangsten voor fantasiefiguren als spoken (‘die bestaan niet’), maar anderzijds doet nu een belangrijke nieuwe, meer cognitieve vorm van angst zijn intrede: piekeren.
Logisch denken maakt het mogelijk rond het tiende levensjaar te beseffen dat doodgaan, anders dan slapen, een onomkeerbaar gebeuren is.
De schoolleeftijd is de tijd waarin leeftijdsgenoten een belangrijke rol gaan spelen in het leven van het kind. Nog meer dan daarvoor wil een kind zich gewaardeerd en geaccepteerd weten door gelijken in de omgeving en vreest het door de groep te worden afgewezen. Deze vrees wordt sociale angst of sociaal-evaluatieve angst genoemd. In deze periode gaat ook faalangst een steeds grotere rol spelen.
Adolescentie
Tot nu toe bespraken we wat kinderen angstig maakt en hun neiging om bij angst bescherming te zoeken. Daaraan moet worden toegevoegd dat mensen van alle leeftijden geneigd zijn de bron van angst te vermijden. Wanneer dat niet mogelijk is en een kind zich niet beschermd weet, zal het door angst overspoeld raken. Daarbij zullen zich ook fysiologische verschijnselen voordoen, zoals hartkloppingen en transpireren, ademnood en de bijpassende paniekgedachte te stikken of flauw te vallen. We spreken dan van een paniekaanval.
In de adolescentenfase treffen we alle eerder beschreven vormen van angst en piekeren aan, maar de inhoud zal veranderen. Met de voortschrijdende seksuele ontwikkeling betreft sociale angst nu in het bijzonder het andere geslacht: het piekeren kan gaan over masturbatie, de kans op zwangerschap of een soa. In de adolescentie kunnen paniekaanvallen ook zonder duidelijke aanleiding optreden en tot belemmeringen in het dagelijks leven leiden.

Volwassenheid

In de volwassenheid kunnen alle vormen van angst voorkomen die zojuist zijn beschreven voor kinderen en jongeren. Dat klinkt misschien ongeloofwaardig voor bijvoorbeeld separatieangst. Het principe dat tot deze angst leidt, is echter levenslang van toepassing.
Wel zullen volwassenen over andere zaken piekeren dan kinderen en jongeren. Dat hangt samen met het verschil in verantwoordelijkheden van volwassenen en die van kinderen en jongeren. Daarbij is er trouwens verschil tussen mannen en vrouwen. Bij de eersten gaan de zorgen vaak over prestaties, bij de laatsten over medemensen bij wie ze zich betrokken voelen.

Ouderdom

Veroudering gaat vaak gepaard met een aantal specifieke risicofactoren die op zichzelf tot angststoornissen kunnen leiden, zoals alleen wonen, geestelijke achteruitgang en lichamelijke ziekte, naast de risicofactoren die niet specifiek leeftijdgebonden zijn. Zoals gezegd, is er weinig bekend over angst op oudere leeftijd en de beschikbare onderzoeksbevindingen zijn bovendien tegenstrijdig. Het lijkt erop dat de heterogeniteit van angst toeneemt met de leeftijd en dat zowel toe- als afname van angstsymptomen kan optreden. Afname kan met drie verschillende mechanismen te maken hebben:

  1. een betere stressbestendigheid;
  2. het (zeker bij de oudsten) selectief overleven van de minder angstigen;
  3. verandering in de biologische basis voor angststoornissen bij de oudere mens.

Bij cognitieve achteruitgang is er niet alleen de begrijpelijke angst voor dementie, maar ook angst door het moeilijker kunnen beoordelen welk gevaar er in de omgeving is.

Bron: Bijblijven 10/2017
Beeld: Fotolia