Maligne huidtumoren in beeld | Melanoom

Melanomen zijn maligne tumoren die ontstaan uit melanocyten. Een melanoom heeft meestal het aspect van een gepigmenteerde vlek, plaque of tumor die (geleidelijk) groter wordt.

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan

Nogal wat melanomen ontstaan uit een naevus naevocellularis . Moedervlekken die veranderen, moeten dan ook als verdacht worden beschouwd en dienen nauwkeurig te worden geïnspecteerd. Kenmerken van een melanoom zijn:

  • Vorm: een melanoom is vaak asymmetrisch wat vorm en aspect (kleur, oppervlak) betreft;
  • Kleur: een melanoom wordt vaak donkerder (bruin, zwart) en de pigmentatie is veelal onregelmatig met verschillende kleurschakeringen: lichtbruin, donkerbruin, zwart, wit, blauwgrijs, roze;
  • Grootte: 98% van de melanomen is groter dan 0,5 cm;
  • Begrenzing: de rand is onregelmatig of grillig, deels vaag en kan een rode hof vertonen.

In de beginfase groeien de meeste melanomen oppervlakkig. De patiënt kan jeuk aangeven. Later ontstaat tumoreuze groei, eventueel met pijn, bloeding en ulceratie. Een veel voorkomend kenmerk van melanomen is de neiging tot regressie, dat wil zeggen dat delen van de afwijking lichter van kleur worden.

 

Prognose

Het melanoom is een agressieve vorm van huidkanker. Dankzij vroege detectie en diagnose is de overlevingskans van patiënten met een melanoom de laatste decennia duidelijk toegenomen, behalve voor mannen ouder dan 65 jaar. De prognose is afhankelijk van het stadium waarin de tumor zich bevindt:

  • stadium I: alleen primaire tumor, ≤ 1 mm in dikte met ulceratie, of ≤ 2 mm in dikte zonder ulceratie;
  • stadium II: alleen primaire tumor, > 1 mm met ulceratie, of > 2 mm (zonder of met ulceratie);
  • stadium III: melanoom met regionale metastasen (satelliet, in-transit, regionale lymfeklier) in afwezigheid van metastasen op afstand;
  • stadium IV: metastasen op afstand.

De gemiddelde vijfjaarsoverleving van patiënten met stadia I en II is 80%, in stadium III 40% en in stadium IV 6%. De breslowdikte van de tumor is prognostisch de belangrijkste parameter. Bij een breslowdikte van minder dan 0,9 mm zullen bijna alle patiënten overleven en van alle patiënten met een dikte van < 1,5 cm is de relatieve overleving 90%. Naarmate de dikte toeneemt, wordt de prognose slechter. De aanwezigheid van satellietlaesies rond de primaire tumor (figuur 5.25) en van in-transit metastasen is een prognostisch slecht teken en dat geldt ook voor pigmentverlies in melanomen. Melanomen zonder of met heel weinig pigment (amelanotische melanomen) worden meestal – door de afwezigheid van de kenmerkende kleurverandering van pigment – laat herkend, waardoor de prognose slechter is.

Vrouwen hebben een betere prognose dan mannen, waarbij mogelijk hormonale factoren een rol spelen. Ook speelt hierbij een rol dat bij vrouwen melanomen vaker op de benen gelokaliseerd zijn; deze tumoren hebben op de extremiteiten (behalve de acrolentigineuze melanomen) een betere prognose dan op de romp, de voorkeurslokalisatie bij mannen. Een enkele keer treedt een spontane regressie van een primair melanoom op, hetgeen duidt op een – vooralsnog grotendeels onbekende – rol van het immuunsysteem (figuur 5.24).

Bij 10% van de zwangere vrouwen worden moedervlekken in de eerste drie maanden donkerder. Toch is de prognose van een melanoom niet slechter bij vrouwen die de pil gebruiken, postmenopauzaal oestrogenen toegediend krijgen of zwanger zijn. In ongeveer 5% van de gevallen zal de patiënt naderhand een tweede of zelfs derde primair melanoom ontwikkelen; bij de helft van deze gevallen is er sprake van familiaire melanomen.

Controles

Het in de CBO-Richtlijn Melanoom van de huid aanbevolen controleschema voor patiënten met een behandeld melanoom is als volgt:
  • Breslowdikte tot en met 1 mm:
    • Eenmalig controlebezoek een maand na de behandeling van een primair melanoom. De patiënt kan dan zijn of haar vragen stellen en geïnstrueerd worden voor zelfonderzoek. Er wordt aan de patiënt uitgelegd dat verdere controle de kans op genezing niet verbetert, maar dat bij klachten steeds een afspraak op korte termijn kan worden gemaakt.
  • Breslowdikte meer dan 1 mm:
    • 1ste jaar: 1 keer per 3 maanden controle;
    • 2de jaar: 1 keer per 4 maanden controle;
    • 3de tot en met 5de jaar: 1 keer per 6 maanden controle.
Breslowdikte meer dan 2 mm tevens:
  • 6de tot en met 10de jaar: 1 keer per jaar controle. Aanvullend onderzoek op indicatie. Het gehele lichaam moet daarbij worden geïnspecteerd (in verband met de mogelijkheid van een tweede primair melanoom) en de regionale klierstations gepalpeerd.


Uit: Kanker en huid, Dermato-oncologie voor de huisarts (boek)