Late effecten borstkanker op de hartfunctie

Steeds meer vrouwen overleven borstkanker, maar chemo- en radiotherapie kunnen ook op lange termijn nog effect hebben op de hartfunctie. Er is mogelijk ook een verhoogd risico op het ontstaan van hart- en vaatziekten. Belangrijk om te weten bij het opstellen van een cardiovasculair risicoprofiel.

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan

 

Borstkanker is de meest voorkomende kanker bij vrouwen en treft in Nederland jaarlijks 15.000 vrouwen.1 De vijfjaarsoverleving is in Nederland gestegen tot 88%.2,3 Dit brengt nieuwe vragen met zich mee. Chemotherapie of radiotherapie kan tot tientallen jaren na behandeling leiden tot een verminderde hartfunctie, maar hoe vaak dit voorkomt is onbekend.4 De schade aan de hartspiercellen ontwikkelt zich langzaam en kan lange tijd vage klachten geven zoals moeheid of kortademigheid. Tijdige diagnose is belangrijk, want vroege behandeling van cardiale risicofactoren kan verdere achteruitgang voorkomen en de prognose verbeteren.5 Daarom bekeken wij hoe vaak een verminderde hartfunctie voorkomt bij overlevenden van borstkanker die werden behandeld met chemotherapie en/of radiotherapie.

Opzet en deelnemers

Voor dit onderzoek hebben wij 350 overlevenden van borstkanker uit 80 huisartsenpraktijken in Noord-Nederland onderzocht die ten minste vijf jaar geleden waren gediagnosticeerd met borstkanker (ICPC-code X76) in stadium I-III. In een controlegroep includeerden we 350 vrouwen van dezelfde leeftijd (plus of min een jaar) en met dezelfde huisarts, maar zonder kanker in de voorgeschiedenis.

 

Uit de dossiers van de huisartsenpraktijken verzamelden we per deelnemer de ICPC-codes die betrekking hadden op hartvaatrisicofactoren en gediagnosticeerde hartvaatziekten, en de ATC-codes van hartvaatmedicatie.6,7 Uit de ziekenhuisdossiers van de groep overlevenden verzamelden we de gegevens over de borstkankerbehandeling, zoals chemotherapie, antihormoonbehandeling en de locatie van de radiotherapie.We bepaalden van alle deelnemers de BMI, vroegen naar hun rook- en beweeggedrag en voerden echocardiografie, ecg en een NT-proBNP-bepaling uit.

Uitkomstmaten

De eerste belangrijke uitkomst was een verminderde pompfunctie van het hart (knijpkracht), gedefinieerd als linkerventrikelejectiefractie (LVEF) < 54 procent.8,9 De tweede belangrijke uitkomst was een verminderde mogelijkheid van het hart om te kunnen ontspannen en dus goed te vullen, de diastolische linkerventrikeldisfunctie.9 Andere belangrijke secundaire uitkomsten waren LVEF < 45 procent en < 50 procent, ecg-afwijkingen en een verhoogd NT-proBNP (> 125 pg/ml).10 Over het algemeen wordt een patiënt met een LVEF < 50 procent verwezen naar de cardioloog, en zal deze met medicatie beginnen bij een LVEF < 45 procent. Andere uitkomsten waren nieuw gediagnosticeerde hartvaatziekten en voorgeschreven hartvaatmedicatie door de huisarts.

Resultaten

De gemiddelde leeftijd van de deelneemsters was 63 jaar ten tijde van het onderzoek. De gemiddelde tijd na de diagnose ‘borstkanker’ was tien jaar. Ten tijde van de metingen vonden we geen verschil in de hartvaatrisicofactoren tussen de groep overlevenden en de controlegroep. Wel had een significant groter percentage van de groep overlevenden een LVEF < 54 procent (15,3 versus 7 procent). Ook het percentage met LVEF < 50 procent was licht hoger (5,4 versus 2,6 procent), maar dit verschil was niet significant; het percentage met LVEF < 45 procent was gelijk (0,6 procent; n = 2 in elke groep).

In de groep overlevenden kwam iets vaker een verminderde ontspanning van het hart voor (43,4 versus 39,5 procent; OR 1,2; 95%-BI 0,9 tot 1,6), maar dit verschil was niet significant.

Het percentage deelnemers met een verhoogde NT-proBNP-waarde was significant hoger in de groep overlevenden (36 versus 27,1 procent; OR 1,5; 95%-BI 1,1 tot 2,1).Dat gold ook voor nieuw gediagnosticeerde hart- en vaatziekten (14 versus 7,4 procent; OR 2,0; 95%-BI 1,2 tot 3,3) en voorgeschreven cardiovasculaire medicatie (37,7 versus 29,7 procent; OR 1,4; 95%-BI 1,0 tot 2,0). De risico’s op verlaagde LVEF (< 54 procent), verhoogd NT-proBNP gehalte in het bloed of gediagnosticeerde hartvaatziekten veranderden niet na correctie voor cardiovasculaire risicofactoren.

Pompfunctie van het hart

Vrouwen die chemo- en/of radiotherapie voor borstkanker hebben ondergaan, hebben op lange termijn een verhoogd risico op een licht verminderde pompfunctie van het hart (LVEF < 54 procent), ook na correctie voor hartvaatrisicofactoren. Dit verhoogde risico heeft echter geen klinische gevolgen.

Een verminderde pompfunctie van het hart kan in eerste instantie leiden tot vage klachten zoals moeheid. Thuisarts.nl vermeldt hierover het volgende: ‘Bij inspanning wordt u snel kortademig en moe. In de longen kan zich vocht ophopen waardoor u kortademig en benauwd wordt, vooral als u ligt. U houdt vocht vast en daardoor neemt uw lichaamsgewicht toe. Uw voeten en enkels worden dikker. Uiteindelijk kunt u ook moe en kortademig zijn zonder dat u zich inspant.’ Ook de klachten die passen bij de diagnose hartfalen zijn dus niet erg specifiek.

Kernpunten

  • Chemo- en radiotherapie kunnen schadelijk zijn voor het hart.
  • Langetermijnoverlevenden van borstkanker hebben meer risico op een licht verminderde pompfunctie van het hart.
  • Langetermijnoverlevenden van borstkanker hebben mogelijk meer risico op hart- en vaatziekten.
  • Bij het opstellen van het cardiovasculaire risicoprofiel is het belangrijk om alert te zijn op een eerdere behandeling met chemo- of radiotherapie.

Conclusie

Een steeds grotere groep patiënten in de huisartsenpraktijk is ooit behandeld voor borstkanker. Daarom is het goed aandacht te hebben voor de mogelijke langetermijngevolgen van die behandeling. Vrouwen hebben na chemo- en/of radiotherapie voor borstkanker op de lange termijn een verhoogd risico op een licht verminderde pompfunctie van het hart. Gelukkig is de schade mild en behoeft deze vaak geen behandeling. De vrouwen hebben mogelijk ook een verhoogd risico op het krijgen van hartvaatziekten. Deze risico’s hebben geen verband met andere hartvaatrisicofactoren ten tijde van de diagnose borstkanker of later in het leven.

Wanneer bij vrouwen met een voorgeschiedenis van borstkanker een cardiovasculair risicoprofiel wordt opgesteld, kan het belangrijk zijn te informeren of zij zijn behandeld met chemo- of radiotherapie.

Dit is het eerste onderzoek in de huisartsenpraktijk waarin de hartfunctie van overlevenden van borstkanker op lange termijn werd vergeleken met die van controlepersonen. De koppeling van patiënten en controlepersonen op basis van leeftijd en huisarts zorgde ervoor dat de sociaaleconomische status van de deelnemers en het codeergedrag van de huisarts in beide groepen vergelijkbaar waren. Omdat we langetermijneffecten wilden onderzoeken, includeerden we alleen vrouwen die vijf jaar na de diagnose nog in leven waren.

Dit artikel is een bewerking van twee eerdere publicaties.

  • Boerman LM, Maass SWMC, Van der Meer P, et al. Long-term outcome of cardiac function in a population-based cohort of breast cancer survivors. A cross-sectional study. Eur J Cancer 2017;81:56-65.
  • Maass SW, Boerman LM, Berger MY, et al. Late hartschade na een borstkankerbehandeling. Huisarts Wet 2019;62(4):26-9.

Literatuur

De literatuurlijst is kosteloos op te vragen bij het secretariaat van TPO De Praktijk. Mail naar: tpodepraktijk@bsl.nl.

Bron: TPO De Praktijk 1/2020
Beeld: Fotolia