Deze aandoening komt vooral voor bij jonge vrouwen, 6 tot 24 maanden na het starten van de behandeling met insuline (afbeelding). De pathogenese van deze complicatie is niet bekend. Spontaan herstel treedt zelden op. Frequent wisselen van injectieplekken is belangrijk. Er zijn twee behandelmogelijkheden die eventueel ook tegelijkertijd kunnen worden toegepast: het wisselen van insulinesoort en het inspuiten van een zeer geringe hoeveelheid dexamethason in de randen van de atrofische plekken. Dit laatste kan echter ook weer glucoseverhogend werken.

Lees meer over huidaandoeningen.
Uit: TPO De Praktijk 4/2018

