Hemostase | De drie stadia

Om ziektebeelden te kunnen begrijpen waarbij trombose de oorzaak van de aandoening is, dient de normale hemostase goed begrepen te worden. Het proces van hemostase na een beschadiging van een bloedvat bestaat uit drie stadia: vasoconstrictie, primaire hemostase en secundaire hemostase (stolling).

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan

Om ziektebeelden te kunnen begrijpen waarbij trombose de oorzaak van de aandoening is, dient de normale hemostase goed begrepen te worden. Bij een goed werkende hemostase (bloedstelping , stollingscascade met intrinsieke remmers ) is er sprake van een balans. De hemostase is een fysiologisch mechanisme dat het bloed in een vloeibare staat houdt binnen de circulatie. Verder is het een mechanisme dat de integriteit van het vaatsysteem beschermt na weefselbeschadiging. Het proces van hemostase na een beschadiging van een bloedvat bestaat uit drie stadia: vasoconstrictie, primaire hemostase en secundaire hemostase (stolling). Daarnaast is er het proces van fibrinolyse, waarbij het stolsel weer wordt afgebroken.

Stadium 1 van hemostase: vasoconstrictie (vaatsysteem)

  • treedt op bij beschadiging van een bloedvat;
  • ontstaat door een lokale spierspasme (vaatspasme) van het vat en tromboxaan A2 (vasoconstrictor uit trombocyten);
  • grotere beschadiging geeft een sterker vaatspasme (snijwond bloedt meer dan een grote vaatruptuur).

Stadium 2 van hemostase: primaire hemostase (bloedplaatjessysteem)

  • trombocytenactivatie:
    –  bij een vaatwanddefect komt subendotheliaal collageen vrij dat trombocyten activeert;
    –  door de trombocytenactivatie komen in trombocytengranulae gelegen stoffen (ADP, collageen, adrenaline en trombine) vrij, die voor verdere activatie van trombocyten zorgen.
  • trombocytenadhesie:
    –  via de GP-Ib-receptor binden geactiveerde trombocyten circulerend vWF;
    –  vWF bindt aan collageen (in vaatwand) en vormt een brugmolecuul tussen trombocytcollageen;
    –  via de GP-Ia-receptor kan de trombocyt ook binden aan fibronectine , dat aan collageen bindt.
  • trombocytenaggregatie:
    –  adhesie geeft verdere trombocytenactivatie, o.a. leidend tot trombocytvormverandering;
    –  bij vormverandering treedt het flip-flopmechanisme in werking, zodat de GP-IIb/IIIa-receptor zich, na omkering van de membraan, aan het trombocytoppervlak bevindt;
    –  
    de GP-IIb/IIIa-receptor kan fibrinogeen binden, dat een brug vormt tussen andere geactiveerde trombocyten met deze receptor aan de oppervlakte (trombocytenaggregatie ).

(ADP: adenosinedifosfaat, GP: glycoproteïne , vWF: vonwillebrandfactor.)

Stadium 3 van hemostase: secundaire hemostase (coagulatie, stollingssysteem)

  • proces waarbij door activatie van stollingsfactoren in het bloed onoplosbaar fibrine wordt gevormd;
  • door beschadigd endotheel komt subendotheliaal gelegen TF in aanraking met bloed; TF maakt een complex met factor VIIa (actief) uit bloed en bindt aan factor VII (ongeactiveerd); factor VIIa ontstaat;
  • door binding aan TF/factor VIIa-complex wordt factor X omgezet in factor Xa; TF/factor VIIa/factor Xa (tenase-complex) kan factor II (protrombine ) omzetten in factor IIa (trombine) middels factor V, mede ook dankzij het protrombinase complex (factor Xa, factor V en factor II) en een geschikt fosfolipidenoppervlak;
  • factor IIa zorgt ten slotte voor de omzetting van fibrinogeen in fibrine.

Bron: Cardiovasculaire ziektebeelden
Beeld: © selvanegra / Getty Images / iStock