Wat is fecale incontinentie?
Fecale incontinentie is het onvermogen om gas en/of ontlasting gecontroleerd op te houden, met ongewild verlies als gevolg. De klachten variëren van incidenteel verlies van flatus tot verlies van vloeibare of vaste ontlasting. Voor veel patiënten is de drempel om dit te bespreken hoog door schaamte. Dat maakt dat fecale incontinentie in de praktijk relatief vaak ondergerapporteerd en onderbehandeld is. Juist omdat er geregeld behandelbare oorzaken en beïnvloedbare factoren zijn, loont het om het onderwerp actief en zorgvuldig uit te vragen.
Typen fecale incontinentie in de spreekkamer
Het helpt om het klachtenpatroon te ordenen; dit stuurt de differentiaaldiagnose en vervolgstappen.
Passieve incontinentie
Ongewild verlies zonder aandrang of bewustzijn. Dit past bij gestoorde sensibiliteit, een neurologische component of verminderde anale sfincterfunctie.
Urge-incontinentie
De patiënt voelt aandrang maar haalt het toilet niet ondanks poging tot ophouden. Dit kan passen bij sfincterdysfunctie, verminderde rectumreservoirfunctie of een situatie met frequente of dunne ontlasting.
Fecale ‘seepage’ (nasilekken)
Ontlasting lekt na een defecatie, terwijl de patiënt tussen defecaties doorgaans continent is. Denk aan onvolledige lediging, lokale anorectale problematiek of hygiëne-/huidfactoren die als “incontinentie” worden ervaren.
Oorzaken en risicofactoren
Fecale incontinentie is zelden monofactorieel. In de huisartsenpraktijk is het zinvol om zowel structurele, neurologische als ontlastingsgerelateerde oorzaken te wegen.
Neurologische en systemische oorzaken
Aandoeningen of letsel van centraal of autonoom zenuwstelsel kunnen de continentiemechanismen verstoren. Voorbeelden zijn CVA, multiple sclerose, ruggenmergtrauma en diabetische neuropathie. Ook comorbiditeit zoals diabetes mellitus en sommige schildklierstoornissen kan bijdragen via motiliteit of neuropathie.
Anorectale en bekkenbodemgerelateerde oorzaken
Beschadiging van de anale sfincters of bekkenbodem kan ontstaan na anale chirurgie, obstetrische letsels (met name vaginale bevalling, instrumentele partus, perineumrupturen) of door verzakkingsproblematiek. Ook rectumprolaps, fistels of littekenvorming kunnen klachten geven.
Ontlastingsgerelateerde oorzaken
Diarree is een belangrijke uitlokkende factor: bij dunne ontlasting wordt de ‘marge’ van continentie kleiner. Denk aan inflammatoire darmziekten, prikkelbaredarmsyndroom, infectieuze oorzaken, medicatie (waaronder laxantia) of voedselintoleranties. Aan de andere kant kan obstipatie met overloopdiarree eveneens leiden tot verliesklachten en ‘seepage’.
Korte uitleg van het continentiemechanisme
Begrip van de fysiologie maakt de klachten beter te plaatsen. Het rectum fungeert als reservoir en kan een zekere vulling opvangen zonder drukstijging. De interne anale sfincter levert het grootste deel van de rusttonus en ontspant reflexmatig om rectale inhoud te ‘sampled’ te laten worden: gas, vloeibaar of vast. De externe sfincter en bekkenbodem (waaronder de puborectalis) leveren willekeurige controle en reageren op drukverhoging, zoals bij hoesten of tillen. Verstoorde sensibiliteit, verminderde rusttonus, zwakke knijpkracht of een veranderd anorectaal hoekmechanisme kunnen elk leiden tot incontinentie.
Anamnese: gericht, normaliserend en volledig
Een goede anamnese is vaak de belangrijkste stap richting diagnose en behandelbaar beleid.
Klachtkarakter en ernst
- Gaat het om flatus, vloeibare of vaste ontlasting?
- Frequentie en situaties (bij inspanning, na maaltijd, ’s nachts).
- Is er aandrang en is die te onderdrukken?
- Is er nasmeulen/lekkage na defecatie?
Ontlastingspatroon en provocerende factoren
- Diarree, obstipatie, wisselend patroon, loze aandrang.
- Alarmtekens: bloed bij ontlasting, onverklaard gewichtsverlies, koorts, anemie, recente verandering van patroon, nachtelijke diarree.
- Voeding: lactose-/fructoserijke voeding, kunstmatige zoetstoffen, alcohol (als diarreeprovocateur), vetrijke voeding.
- Relevante medicatie: laxantia, antibiotica (risico op diarree), middelen die obstipatie geven, of middelen die diarree kunnen uitlokken.
Medische en obstetrische voorgeschiedenis
- IBD, PDS, diabetes, neurologische aandoeningen, rugproblematiek.
- Urologische klachten (combinatie urine- en fecale incontinentie komt voor).
- Bij vrouwen: aantal bevallingen, instrumenteel, rupturen, herstel, klachten sinds partus.
Impact en context
- Beperkingen in dagelijks functioneren, werk, sociale situaties.
- Mentale belasting, schaamte, vermijding.
- Cognitieve problemen of zelfzorgproblemen die de uitvoering van een toiletprogramma beïnvloeden.
Lichamelijk onderzoek in de huisartsenpraktijk
Algemeen en neurologisch
Let op tekenen van neurologische uitval, sensibiliteitsstoornissen, gangbeeld en perineale sensibiliteit indien relevant.
Inspectie perianaal
Zoek naar excoriaties, littekens, fecale vervuiling, hemorroïden, huidplooien/skin tags, tekenen van prolaps of fistelopening. Beoordeel ook perineale descensus (grofweg: duidelijke ‘doorzakking’ bij persen kan richtinggevend zijn).
Anale reflex en rectaal toucher
- Een anale ‘wink’-reflex (contractie bij lichte prikkeling perianaal) kan informatie geven over de reflexboog.
- Bij rectaal toucher: beoordeel rusttonus (interne sfincter), knijpkracht (externe sfincter), en laat de patiënt persen om bekkenbodemfunctie en eventuele prolaps te beoordelen. Let ook op fecale impactie.
Diagnostiek: stap voor stap en op indicatie
De keuze voor aanvullend onderzoek hangt sterk af van de vraag of de klachten primair samenhangen met diarree/ontstekingsactiviteit, of dat er aanwijzingen zijn voor structurele of neurologische sfincterproblematiek.
Bij verdenking diarree als drijvende factor
- Fecesonderzoek bij verdenking infectie of malabsorptie (gericht op kliniek).
- Screen op diabetes en schildklierfunctiestoornissen wanneer passend.
- Overweeg evaluatie voor intoleranties of bacteriële overgroei bij suggestieve klachten.
- Colonoscopie (via MDL) bij alarmtekens of verdenking mucosale ziekte (IBD, colitis, massa, strictuur).
Bij incontinentie zonder diarree of bij persisterende klachten
Verwijzing kan zinvol zijn voor functie- en beeldvormend onderzoek, met name:
- Anorectale manometrie (rust- en knijpdruck, rectale capaciteit/compliantie).
- Endo-anale echografie of MRI bij verdenking sfincterdefect.
- Defecografie vooral bij therapieresistente klachten of ter voorbereiding op interventies.
- Aanvullend onderzoek naar pudendusfunctie of EMG in geselecteerde gevallen.
Behandeling: wat kan de huisarts inzetten?
Beleid is vaak multimodaal: ontlasting optimaliseren, huidzorg, toiletgedrag en zo nodig verwijzing voor bekkenbodemtherapie of specialistische opties.
Steunende maatregelen en leefstijl
- Praktische hygiëneadviezen: zorgvuldig reinigen, barrièremiddel (bijv. zinkoxide) bij irritatie, absorberend materiaal indien nodig.
- Toiletprogramma bij patiënten met (milde) cognitieve beperkingen of beperkte zelfregie: vaste toilettijden, vooral na maaltijden.
- Voedingsadvies afgestemd op klachten: beperk bekende diarreeprovocateurs (bijv. hoge lactose-/fructose-inname bij vermoedelijke intolerantie). Kies vezelbeleid op maat: bij dunne ontlasting kan vezelopbouw helpen, bij obstipatie is een ander schema nodig.
Medicamenteus: gericht op consistentie en frequentie
- Bulkvormers (zoals methylcellulose) kunnen de consistentie verbeteren.
- Loperamide kan bij diarree/urgency helpen: het verlaagt de frequentie, geeft meer tijd om toilet te halen en kan de rusttonus verhogen. Doseer zorgvuldig en bespreek obstipatie als bijwerking.
- Diphenoxylaat kan symptomatisch verbetering geven, hoewel objectieve verbetering niet altijd aantoonbaar is.
- Behandel onderliggende aandoeningen: denk aan galzuurmalabsorptie, PDS/IBD, of andere oorzaken van diarree/ontstekingsactiviteit.
- Bij gecombineerde urine- en fecale incontinentie kan in sommige situaties amitriptyline worden overwogen, met aandacht voor bijwerkingen en contra-indicaties.
- Bij postmenopauzale vrouwen wordt soms hormoonsuppletie genoemd als mogelijke optie; dit hoort doorgaans thuis in specialistische afwegingen op indicatie en risicoprofiel.
Bekkenbodemfysiotherapie en biofeedback
Bij verminderde knijpkracht of gestoorde sensatie (bijvoorbeeld aangetoond met manometrie) kan bekkenbodemtraining met biofeedback worden ingezet. Het doel is hertraining van bekkenbodem- en abdominale coördinatie en het verbeteren van respons op rectale vulling. Resultaten in studies lopen uiteen; in de praktijk is selectie en begeleiding bepalend.
Wanneer verwijzen?
Verwijs laagdrempelig bij:
- Alarmtekens of verdenking op IBD/colitis of maligniteit (MDL).
- Persisterende klachten ondanks optimalisatie van ontlasting en leefstijlmaatregelen.
- Verdenking structureel sfincterletsel (postpartum, postoperatief) of prolaps.
- Vermoeden neurologische oorzaak met progressie of nieuwe uitval.
- Ernstige impact op functioneren of noodzaak tot multidisciplinaire aanpak.
Specialistische behandelopties bij therapieresistentie kunnen bestaan uit sfincterherstel (bij duidelijk defect), augmentatieprocedures, neuromodulatie (zoals sacrale zenuwstimulatie) of injecteerbare ‘bulking agents’. De indicatiestelling en follow-up liggen hierbij bij de tweede/derde lijn.
Veelgestelde vragen
1) Hoe onderscheid ik overloopdiarree bij obstipatie van diarree als primaire oorzaak?
Let op een voorgeschiedenis van obstipatie, wisselende klachten, ‘seepage’, buikpijn/oppomping en het gevoel van onvolledige lediging. Rectaal toucher kan fecale impactie aantonen. Bij overloopdiarree is het beleid gericht op ontlasting van de impactie en vervolgens een structureel obstipatiebeleid, in plaats van alleen antidiarreemiddelen.
2) Welke eerste medicatiestap past het best bij urge-incontinentie met dunne ontlasting?
Richt je op het verdikken en vertragen van de ontlasting. Een bulkvormer kan helpen bij consistentie; loperamide is vaak een logische volgende stap bij frequente dunne ontlasting met urgency. Start laag, bouw op, en evalueer op obstipatie en te harde ontlasting, omdat dit klachten kan verplaatsen in plaats van oplossen.
3) Wanneer heeft anorectale manometrie of endo-anale echografie meerwaarde?
Overweeg verwijzing voor deze diagnostiek wanneer klachten persisteren ondanks optimalisatie van ontlasting en basismaatregelen, of wanneer je op basis van anamnese/LO een structureel probleem vermoedt (bijv. postpartum sfincterletsel, postoperatieve schade, duidelijke verminderde rusttonus/knijpkracht) of wanneer de uitkomst het beleid verandert (keuze voor bekkenbodem-biofeedback, of beoordeling voor chirurgische/interventionele opties).






