Actinische keratose is een frequente huidafwijking die vooral voorkomt bij oudere patiënten met langdurige blootstelling aan ultraviolet (UV) licht. De afwijking wordt beschouwd als een premaligne aandoening, waarbij een deel van de laesies zich kan ontwikkelen tot een plaveiselcelcarcinoom.
Voor huisartsen is het van belang om actinische keratose tijdig te herkennen, adequaat te beoordelen en een passend beleid te voeren. De aandoening komt vaak voor in de dagelijkse praktijk en vraagt om een gestructureerde benadering.
Wat is actinische keratose?
Actinische keratose is een intra-epidermale afwijking veroorzaakt door cumulatieve zonneschade. De laesies ontstaan meestal op chronisch aan UV blootgestelde huid, zoals:
- gelaat
- behaarde hoofdhuid (bij alopecie)
- oren
- onderarmen en handruggen
De afwijking wordt gekenmerkt door dysplastische keratinocyten in de epidermis. Hoewel niet elke laesie kwaadaardig wordt, is er wel een reëel risico op progressie naar een plaveiselcelcarcinoom.
Klinisch beeld
Actinische keratosen presenteren zich vaak als:
- ruw aanvoelende, schilferende plekjes
- huidkleurige, erythemateuze of lichtbruine laesies
- oppervlakken met een korstje of keratotisch aspect
De laesies zijn soms beter te voelen dan te zien, vooral in een vroeg stadium. Patiënten beschrijven vaak een “schuurpapierachtig” gevoel bij aanraken.
Lokalisatie en aantal
De afwijkingen komen regelmatig multipel voor en kunnen onderdeel zijn van een zogenoemd veld van zonbeschadiging (field cancerization), waarbij grotere huidgebieden zijn aangedaan.
Risicofactoren
Verschillende factoren verhogen de kans op het ontwikkelen van actinische keratose:
- langdurige en cumulatieve zonblootstelling
- lichte huid (laag fototype)
- frequente zonverbranding, met name op jonge leeftijd
- hogere leeftijd
- gebruik van zonnebank
- immunosuppressie (bijvoorbeeld na orgaantransplantatie)
Deze factoren spelen ook een rol bij het risico op progressie naar een plaveiselcelcarcinoom.
Diagnostiek actinische keratose
De diagnose actinische keratose wordt meestal klinisch gesteld. Belangrijke stappen zijn:
Anamnese
Vraag naar:
- duur van de laesie
- verandering in grootte of aspect
- klachten zoals pijn, jeuk of bloeden
- mate van zonblootstelling en zonverbranding in het verleden
Lichamelijk onderzoek
Inspecteer de laesie op kleur en oppervlak. Actinische keratose behoort doorgaans tot de groep niet-huidkleurige laesies met een keratotisch of schilferend oppervlak.
Vergelijk de afwijking met andere huidafwijkingen en beoordeel de rest van de huid, gezien de vaak multipele presentatie.
Differentiaaldiagnose
Overweeg onder andere:
- plaveiselcelcarcinoom
- ziekte van Bowen
- basaalcelcarcinoom (superficieel type)
- seborroïsche keratose
Bij twijfel over de diagnose of bij atypische kenmerken is aanvullend onderzoek aangewezen.
Wanneer aanvullend onderzoek?
Histopathologisch onderzoek is geïndiceerd wanneer:
- de diagnose onzeker is
- de laesie afwijkende kenmerken heeft (bijvoorbeeld ulceratie of snelle groei)
- er onvoldoende respons is op behandeling
In dergelijke gevallen kan een stansbiopt worden verricht uit het meest representatieve deel van de laesie.
Behandeling actinische keratose
De keuze voor behandeling hangt af van het aantal laesies, de locatie en de voorkeur van de patiënt.
Afwachtend beleid
Niet elke actinische keratose hoeft direct behandeld te worden. In overleg met de patiënt kan worden gekozen voor observatie, met aandacht voor veranderingen.
Cryotherapie
Cryotherapie met vloeibare stikstof is geschikt bij een beperkt aantal laesies (meestal ≤ vijf). De behandeling bestaat uit:
- bevriezen tot een halo van circa 1–2 mm rondom de laesie
- laten ontdooien
- herhalen binnen dezelfde sessie
Topicale behandeling
5-fluorouracilcrème kan worden toegepast bij:
- meerdere laesies
- grotere oppervlakken
De crème wordt doorgaans tweemaal daags aangebracht gedurende enkele weken. Lokale huidreacties zoals erytheem, erosie en korstvorming zijn te verwachten en maken deel uit van het werkingsmechanisme.
Andere opties
Afhankelijk van de situatie en lokale expertise kunnen ook andere behandelvormen worden overwogen, zoals fotodynamische therapie, doorgaans in de tweede lijn.
Controle en follow-up
Na behandeling is evaluatie van het resultaat belangrijk, meestal na ongeveer drie maanden. Bij incomplete respons kan:
- herhaling van cryotherapie worden overwogen
- alsnog gekozen worden voor topische behandeling
- of verwijzing plaatsvinden
Bij volledige respons is routinematige controle meestal niet nodig, maar instructie voor zelfcontrole van de huid blijft van belang.
Wanneer verwijzen?
Verwijzing naar de dermatoloog is aangewezen bij:
- vermoeden van plaveiselcelcarcinoom of ziekte van Bowen met risicokenmerken
- onvoldoende effect van behandeling in de huisartsenpraktijk
- uitgebreide of moeilijk behandelbare laesies
- patiënten met een verhoogd risico, zoals bij immunosuppressie
Ook bij diagnostische onzekerheid is verwijzing passend.
Voorlichting aan de patiënt
Goede voorlichting draagt bij aan vroege herkenning van veranderingen. Bespreek met de patiënt:
- het belang van zonbescherming (kleding, zonnebrandmiddelen)
- het vermijden van zonnebankgebruik
- regelmatige zelfinspectie van de huid
Leg uit dat nieuwe of veranderende plekjes aanleiding zijn om opnieuw contact op te nemen.






