Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Waarom werken GLP-1-middelen zoals Ozempic niet bij iedereen even goed?

fediverbeek
Nieuw onderzoek wijst op een mogelijke genetische verklaring waarom sommige patiënten minder goed reageren op GLP-1-medicatie zoals Ozempic. Wat betekent dit voor de toekomst van gepersonaliseerde diabeteszorg?
Unsplash

Grote verschillen in behandelrespons

GLP-1-receptoragonisten zoals Ozempic, Wegovy en andere vergelijkbare middelen hebben de behandeling van diabetes type 2 en obesitas de afgelopen jaren sterk veranderd. Toch merken zorgverleners in de praktijk dat niet iedere patiënt dezelfde resultaten behaalt. Waar sommige patiënten een duidelijke verbetering van de glucoseregulatie zien, blijft het effect bij anderen beperkt.

Nieuw onderzoek van Stanford Medicine suggereert dat genetische verschillen mogelijk een deel van deze variatie kunnen verklaren. De onderzoekers beschrijven een vorm van zogenoemde “GLP-1-resistentie”, waardoor bepaalde patiënten minder gevoelig lijken voor de werking van deze geneesmiddelen.

 

Mogelijke rol voor genetische varianten

De onderzoekers richtten zich op variaties in het PAM-gen, dat betrokken is bij de verwerking van verschillende hormonen in het lichaam, waaronder GLP-1. Bij ongeveer één op de tien mensen komen varianten van dit gen voor die de werking van het betreffende enzym verminderen.

Opvallend genoeg bleek dat dragers van deze genetische varianten juist hogere concentraties van het natuurlijke GLP-1-hormoon hebben. Toch leidde dit niet tot een betere regulatie van de bloedglucose. Volgens de onderzoekers lijkt er sprake van een verminderde gevoeligheid voor het hormoon, waardoor hogere hoeveelheden nodig zijn om hetzelfde biologische effect te bereiken.

 

Effect zichtbaar in klinische studies

Om te onderzoeken of deze genetische verschillen ook invloed hebben op de behandeling van diabetes, werden gegevens uit meerdere klinische onderzoeken geanalyseerd.

Daaruit bleek dat dragers van bepaalde PAM-varianten minder vaak de gewenste verbetering van hun HbA1c bereikten tijdens behandeling met GLP-1-receptoragonisten. Opvallend was dat dit effect niet werd gezien bij andere veelgebruikte diabetesmedicatie, zoals metformine of sulfonylureumderivaten. De verminderde respons leek specifiek samen te hangen met geneesmiddelen die via het GLP-1-systeem werken.

 

Nog veel onbeantwoorde vragen

Hoewel de onderzoekers een duidelijke associatie vonden tussen PAM-varianten en een verminderde respons op GLP-1-therapie, blijft het onderliggende mechanisme grotendeels onduidelijk. Ook is nog niet bekend of dezelfde genetische factoren invloed hebben op gewichtsverlies bij gebruik van GLP-1-medicatie.

De beschikbare gegevens over obesitasbehandeling zijn momenteel beperkt en laten nog geen definitieve conclusies toe. Vervolgonderzoek moet uitwijzen welke patiënten het meeste voordeel hebben van deze geneesmiddelen en welke alternatieve behandelstrategieën mogelijk effectiever zijn.

 

Naar meer gepersonaliseerde diabeteszorg

De bevindingen illustreren hoe genetische informatie in de toekomst mogelijk kan bijdragen aan betere behandelkeuzes. Wanneer vooraf kan worden voorspeld welke patiënten minder goed reageren op GLP-1-medicatie, kan sneller worden gekozen voor een alternatieve behandeling.

Dat zou niet alleen kunnen leiden tot betere glucosecontrole, maar ook tot minder teleurstelling bij patiënten die hoge verwachtingen hebben van deze populaire geneesmiddelen.

 

Tot slot

Nieuw onderzoek suggereert dat genetische variaties in het PAM-gen mogelijk bijdragen aan een verminderde gevoeligheid voor GLP-1-medicatie bij een deel van de patiënten met diabetes type 2. De resultaten bieden een mogelijke verklaring voor de grote verschillen in behandelrespons die in de praktijk worden gezien.

Hoewel toepassing in de spreekkamer nog toekomstmuziek is, vormen de bevindingen een belangrijke stap richting meer gepersonaliseerde diabeteszorg.